Maandag 11 maart, mijn tijdlijn op Facebook en Instagram ontploffen met boodschappen van euforie en hoop. Zinedine Zidane kondigt aan dat hij als trainer bij Real Madrid terugkeert voor een tweede termijn. Diezelfde dag geeft Algerijns president Abdelaziz Bouteflika te kennen toch af te zien van een vijfde opeenvolgende ambtstermijn.

Het zijn niet of de arbeiders of de hoogopgeleiden of de mannen of de vrouwen; ze doen het samen. Zij aan zij, de straat op.

Nu al vijf weken lang trekken miljoenen Algerijnen — in het bijzonder jongeren – de straat op om te protesteren tegen de politieke machtsgreep van Bouteflika en het regime erachter. Twee dingen vallen op: de diversiteit van de demonstranten en de waardigheid van het protest, meteen ook de grote sterktes van het protest. Het zijn niet of de arbeiders of de hoogopgeleiden of de mannen of de vrouwen; ze doen het samen. Zij aan zij, de straat op.

Ze vonden elkaar eigenlijk eerder al, voor de straatprotesten, in voetbalstadia waar supportersliederen uitgroeiden tot politieke protestliederen die de uitzichtloosheid en sociale problemen aanklagen. Allemaal achter dezelfde boodschap: de houdbaarheidsdatum van Bouteflika is overschreden.

De demonstranten doen het ook vreedzaam. Ze verkiezen humor boven geweld met het mantra ‘silmiyya, silmiyya’, wat zoveel betekent als ‘vreedzaam, vreedzaam’. De wereld kijkt terecht met groot respect naar deze vorm van protest.

Het Algerijnse volk kreeg de afgelopen decennia heel wat te verduren: islamistische terreur en een burgeroorlog in de jaren negentig (“la décennie noire”) maakten naar schatting 200.000 slachtoffers. Mijn ouders voelden begin jaren ’80 al de toenemende onveiligheid, en verkozen om te vertrekken. Het Algerijns regime leek te kunnen ontsnappen aan de “Arabische Lente” van 2011 en met het trauma van de burgeroorlog vers in het geheugen, leek het Algerijnse volk te passen voor nieuwe avonturen.

De regering maakt ook gretig gebruik van dat trauma door het risico op nieuwe terreur en burgeroorlog te gebruiken om het status quo te handhaven. Maar dat is buiten jongeren en sociale media gerekend. Jongeren zijn mondiger, kritischer en eisen hun plaats op. La décennie noire is voor velen onder hen alleen maar geschiedenis.

Wat hen drijft, is het besef dat er een andere toekomst mogelijk is. Die zien ze dagelijks op Facebook en Instagram waar ze vaak intens contact hebben met bijvoorbeeld de Algerijnse diaspora in Frankrijk. Algerijnse jongeren die wel een job vinden, een inkomen hebben en een leven kunnen opbouwen. Wat eigenlijk ook mijn verhaal is. Maar wat tussen die jongeren en hun toekomst staat, wordt symbolisch verenigd in die ene oude, machteloze en krachteloze oude president: Bouteflika. ‘We willen niet door een foto geregeerd worden’ zoals één van de demonstranten het tragikomisch op een protestbord zette.

Het oorspronkelijke vreugdedansje van de Algerijnse bevolking na de aankondiging van Bouteflika maakt nu plaats voor een realiteitscheck. Dat Bouteflika afziet van een vijfde mandaat kan gezien worden als een hoopvol signaal, maar ondertussen werd aangekondigd dat hij de politieke transitie zal overzien – zelfs voorbij de einddatum van zijn vierde termijn van 28 april. Het protest gaat dus door en begint zich organisatorisch te kristalliseren.

Het gaat uiteraard om zoveel meer dan alleen maar de nood aan een nieuwe president, ook het beleid moet anders.

Als er geen werk wordt gemaakt van echte politieke verandering, riskeert de situatie te escaleren. De betogers vrezen dat het regime gewoon verder wil regeren. Want het gaat uiteraard om zoveel meer dan alleen maar de nood aan een nieuwe president, ook het beleid moet anders. Algerije is wat oppervlakte betreft het grootste Afrikaanse land met 42 miljoen inwoners. 60% van de bevolking is jonger dan 30 jaar waarvan een kleine 30% werkloos is.

Als exporteur van gas en olie (veelal naar Europa) en de grote winsten die daarmee gepaard gaan, valt de ongelijkheid en armoede onder de bevolking niet uit te leggen. De protesten zijn niet gestopt en de wereld kijkt toe. Daarbij valt op hoe weinig we eigenlijk weten over het grootste land van Afrika (“le pays le plus mystérieux au monde”), nochtans een zeer nabije buur.

Daarom blijf ik pleiten voor veel meer Europees–Mediterrane samenwerking, hoe moeizaam ook, zowel economisch als op vlak van onderwijs en veiligheid. Dat is in onzer beider belang. Want, als het protest toch zou uitmonden in geweld, destabiliseert dat niet alleen het land, maar de volledige regio. Ook Europa. Algerije is een reus op lemen voeten. Als die valt, richt deze veel schade aan.

De bal ligt in het kamp van “het regime” en het moment is precair. Het enige wat duidelijk is, is dat de recente protesten het begin zijn van een veel langer proces. Silmiyya, silmiyya hoop ik uit de grond van mijn hart.

Categorieën: Nieuws